De conversie van een nietig concurrentiebeding: In franchise primeert de bedoeling van de partijen

Meester Johan Billiet, Billiet & Co Lawyers

Concurrentiebedingen zijn wettelijk geregeld in bepaalde materies (vb arbeidsovereenkomsten en handelsagentuurovereenkomsten), maar dan weer niet in vele andere overeenkomsten zoals bijv. franchiseovereenkomsten. Wel geldt ook hier de algemene regel dat ze beperkt moeten zijn in tijd, in ruimte en wat betreft de activiteiten.

Principieel wordt hiervoor terug gevallen op het Decreet d’Allarde van 2 en 17 maart 1791 dat de vrijheid van handel en nijverheid proclameert, beginsel dat ook terug te vinden is in de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek Economisch Recht. Deze bepaling, die zich verzet tegen een ongeoorloofde beperking van vrijheid van handel en nijverheid, is van openbare orde. Het beding dat een onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, territorium of duur oplegt, is bijgevolg nietig.

Twee vragen rijen hierbij. De eerste, wat is een redelijke beperking en vanaf wanneer wordt iets onredelijk? De tweede, wat zijn de gevolgen van dergelijke nietigheid? Voor wat betreft de eerste vraag kan teruggevallen worden op de richtsnoeren van de Europese Commissie met betrekking tot de nevenrestricties. Deze bepalen dat een concurrentiebeding tot 3 jaar gerechtvaardigd is wanneer zowel know how als goodwill worden overgedragen, en tot 2 jaar wanneer enkel goodwill wordt overgedragen. Het concurrentiebeding kan ook langer duren indien partijen ook beslissen onder een bepaalde vorm verder samen te werken.

De tweede vraag is delicater. Houdt me zich niet aan de wettelijke regels dan is het concurrentiebeding, waarvan de beperkingen de wettelijke grenzen overschrijden, nietig is, zonder dat de rechter in beginsel de mogelijkheid heeft om het beding te matigen. Deze regel geldt voor arbeidsovereenkomsten maar wat voor franchisingsovereenkomsten? Kan de rechter indien een partiële nietigheid mogelijk is en de Wet het niet uitdrukkelijk verbiedt, de nietigheidssanctie milderen tot hetgeen hij meent verantwoord te zijn.

In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof van Cassatie van 23 januari 2015, waren partijen akkoord gegaan met een concurrentiebeding waarbij de overdrager van een onderneming het verbod werd opgelegd om gedurende 17 jaar een concurrerende activiteit verder te zetten of te ontwikkelen. Het hof van beroep te Gent oordeelde dat deze duur “bijzonder lang” was en dat het beding daarom nietig was. Het Hof verduidelijkte nog dat deze nietigheid absoluut was, zodat een rechter niet kon overgaan tot de matiging ervan.

Het Hof van Cassatie kwam tot een ander besluit. Zij viel hiervoor terug op een veelvoorkomend beding in de overeenkomst waarbij vermeld stond: “de bepalingen die door de nietigheid aangetast zijn of ongeldig zouden zijn, blijven bindend zijn voor het gedeelte ervan dat wettelijk toegelaten is”. Mocht dit een arbeidsovereenkomst geweest zijn, dan had dit beding nooit kunnen leiden tot een omzetting naar een geldig concurrentiebeding. Anders evenwel indien partijen in een niet-wettelijk gereglementeerde materie precies beoogden het gedeeltelijk vernietigd beding in stand te houden.

Het Hof van Cassatie wees erop dat bij gebreke aan wettelijke bepaling in voorliggend geval partijen immers uitdrukkelijk waren overeengekomen dat clausules die de wettelijke grenzen overschreden, niet nietig zijn, maar van rechtswege worden geacht begrensd te zijn tot het maximum dat wettelijk toegelaten is. Bijgevolg moet een rechter rekening houden met deze partijbedoeling en als hij moet oordelen over de geldigheid van een concurrentiebeding waarop geen specifieke wetgeving van toepassing is, deze clausule matigen tot het maximum dat wettelijk toegelaten is.

Voorwaarde is en blijft uiteraard wel dat partijen deze mogelijkheid uitdrukkelijk in hun franchiseovereenkomst hebben opgenomen.

Meester Johan Billiet
Billiet & Co Lawyers