Franchising en insolventie

Meesters Alexander Hansebout, Carmen Verdonck & Bart Heynickx, Altius

Jammer genoeg komen franchisegevers (soms) in aanraking met franchisenemers die hun betalingsverplichtingen niet langer kunnen nakomen.  In dergelijke gevallen, stapelen de schulden van de franchisenemer zich snel op.  De bijzondere samenwerkingsrelatie tussen franchisegever en –nemer, geeft meestal aanleiding tot onderhandelingen en (contractuele) afspraken tussen partijen aangaande de afbetaling van de opgelopen schulden.

Deze afspraken volstaan soms niet en de franchisenemer kan (alsnog) in een insolventiescenario vervallen.

De vraag stelt zich of de franchisegever, in het kader van de insolentieprocedure, voordelen of nadelen zal ondervinden van zijn toegeeflijkheid.  Hieronder wordt een onderscheid gemaakt naargelang de franchisenemer het faillissement dan wel bescherming tegen zijn schuldeisers aanvraagt.

In het kader van de wet op de continuïteit van de ondernemingen (WCO)

Indien het water de franchisenemer aan de lippen staat, kan hij bescherming aanvragen tegen zijn schuldeisers middels een beroep op de wet van 2009 inzake de continuïteit van de ondernemingen.

In de mate dat de franchisenemer de wettelijke vereiste stukken bijbrengt, zal zijn verzoek tot bescherming een grote slaagkans hebben.  Tijdens de beschermingsperiode – die zich kan uitstrekken tot 18 of, onder voorwaarden, zelfs 24 maanden, dient de franchisenemer een herstelplan op te maken en te laten goedkeuren door de (meerderheid van de) schuldeisers en de rechtbank.  De schuldeisers, van hun kant, kunnen tijdens deze periode niet overgaan tot de gedwongen recuperatie van hun bestaande vorderingen.

De franchisenemer is evenwel niet beschermd voor “nieuwe schulden”, die, bijvoorbeeld in het kader van de uitvoering van de franchiseovereenkomst, zijn ontstaan sedert de toelating tot de WCO-bescherming.

Tijdens de beschermingsperiode, kan de franchisenemer beslissen om de uitvoering van sommige overeenkomsten op te schorten indien dit noodzakelijk is met het oog op het herstel.  Het lijkt weinig waarschijnlijk dat de franchisenemer zou beslissen om de uitvoering van de franchiseovereenkomst zelf op te schorten aangezien daardoor iedere continuïteit onmogelijk zou worden.

Anderzijds kan de franchisenemer ook beslissen om vrijwillig over te gaan tot betaling van de openstaande vorderingen indien deze betalingen vereist zijn met het oog op de continuïteit van de onderneming.

De franchisegever kan beslissen om – indien de wettelijke voorwaarden daaromtrent worden nageleefd – de franchiseovereenkomst te beëindigen wegens de betalingsweigering van de franchisenemer.  De bijzondere status van de franchiseovereenkomst voor de franchisenemer, samen met de beëindigingsmogelijkheid voor de franchisegever kan de –nemer ertoe bewegen om de openstaande “oude” schulden, minstens voor een deel en in de mate van het mogelijke, vrijwillig te betalen.

In zijn reorganisatieplan, zal de franchisenemer ondermeer moeten uiteenzetten hoe hij de oude, openstaande schulden (deels) zal afbetalen en gedurende welke termijn.  Binnen enkele wettelijke krijtlijnen, is de franchisenemer vrij om zijn schuldeisers in categorieën onder te verdelen en aan iedere categorie een ander afbetalingsregime voor te stellen.  Onderhandelingen tussen franchisegever en –nemer lijken andermaal aangewezen indien de franchisegever wenst te vermijden dat slechts een beperkt bedrag van zijn openstaande vordering zal worden voldaan.

Na faillissement van de franchisenemer

Na faillissement, zal de franchisegever, voor het resterende deel van zijn openstaande vordering, een aangifte van schuldvordering bij de curator van het faillissement moeten indienen.  Indien de franchisegever zich niet op een voorrecht of zekerheidsrecht kan beroepen, zal de kans op recuperatie van enige bedragen bijzonder laag zijn.  De schulden die zouden zijn ontstaan tijdens de WCO-bescherming van de franchisenemer dienen evenwel bij voorrang te worden betaald.

Indien, voorafgaandelijk aan het faillissement een afbetalingsovereenkomst werd afgesloten, blijft deze overeenkomst in beginsel ook na het faillissement geldig en tegenstelbaar aan de curator. De curator zal deze overeenkomst evenwel niet verder uitvoeren. De afbetalingen van de openstaande schulden die de franchisenemer volgens het afgesproken (contractuele) afbetalingsplan verrichtte vóór het faillissement, blijven in principe behouden aan de franchisegever.

In de mate dat de rechtbank zou menen dat de franchisenemer reeds voorafgaandelijk aan de faillissementsdatum zijn betalingen effectief had gestaakt, kan zij de datum van staking van betaling tot (maximaal) zes maanden vóór de faillissementsdatum leggen.  Deze tijdspanne voorafgaandelijk aan het faillissement heet “de verdachte periode”.

Alle overeenkomsten die tijdens de verdachte periode werden afgesloten of uitgevoerd, zullen nauwgezet door de curator worden onderzocht.

De curator zou kunnen argumenteren dat de afbetalingen die tijdens de verdachte periode werden verricht, niet tegenstelbaar zijn aan de boedel.  Indien de rechtbank deze vordering van de curator aanvaardt, dient de franchisegever alle afbetalingen die hij tijdens de verdachte periode van de franchisenemer ontving, terug te betalen.

Om zijn vordering daartoe te laten slagen, dient te curator vooreerst aan te tonen dat de franchisenemer en –gever, middels het afsluiten of uitvoeren van de afbetalingsovereenkomst, de overige schuldeisers hebben benadeeld.  Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien de afbetalingsovereenkomst ertoe zou leiden dat (quasi) alle (directe) inkomsten uit de uitvoering van de franchiseovereenkomst naar de franchisegever vloeiden en er dienvolgens (bijna) niets overbleef om de overige vorderingen te voldoen.  Op dergelijke wijze werd een voordeel voor de franchisegever gecreëerd, maar werden de overige schuldeisers benadeeld.

Daarnaast dient de curator aan te tonen dat de franchisegever op de hoogte was (of diende te zijn) van het feit dat de franchisenemer zijn betalingen had gestaakt.  Het bewijs daaromtrent kan de curator eventueel afleiden uit de inhoud van de afbetalingsovereenkomst zelf of uit de informatie die de franchisenemer, in het kader van de samenwerking, aan de franchisegever overmaakte.

Een vordering van de curator tot terugbetaling zal evenwel niet slagen indien de afbetaling van de openstaande schulden plaats vond tijdens de WCO-beschermingsperiode van de franchisenemer. De WCO-wet sluit immers expliciet uit dat vrijwillige betalingen tijdens de beschermingsperiode, na faillissement, op deze grondslag door de curator worden aangevochten.

Besluit

Het is van belang de huidige en toekomstige situatie van een franchisenemer met betalingsmoeilijkheden zo goed mogelijk in te schatten.  Tijdige en gepaste interventies zullen nodig zijn om de recuperatiemogelijkheden voor de franchisegever te vergroten.

Deze laatste zal zich echter ervoor behoeden om misbruik te maken van zijn (economische) machtspositie t.a.v. de franchisenemer.

Meesters Alexander Hansebout, Carmen Verdonck & Bart Heynickx
Advocaten Altius