Het stilzwijgende niet-concurrentiebeding bij een franchiseovereenkomst

Een franchiseovereenkomst wordt meestal intuïtief gesloten: de franchisegever kiest zijn franchisenemer op basis van de criteria die hij het meest geschikt acht en geeft zijn franchisenemer met name niet het recht zijn overeenkomst over te dragen zonder dat zijn opvolger is goedgekeurd.

Wat gebeurt er indien de franchisenemer, direct of indirect (bijvoorbeeld via een andere onderneming), op hetzelfde tijdstip als de uitvoering van zijn franchiseovereenkomst besluit om een andere activiteit uit te oefenen in concurrentie met die welke hem door de franchisegever is toevertrouwd, wanneer de overeenkomst dit niet uitdrukkelijk verbiedt?

De eerlijke en goede trouw bij de uitvoering van een franchiseovereenkomst die intuitu personae werd gesloten, bracht het Franse Hof van Cassatie ertoe om in een arrest van 14 november 2018 (arrest nr. 17-19851) te beslissen dat het bestaan van een stilzwijgend niet-concurrentiebeding ten laste van de franchisenemer (actief in de restaurantsector) kon worden erkend. Het Hof baseert zich op de verplichtingen van de artikelen 1104 en 1188 van het nieuwe Franse burgerlijk wetboek. De bepalingen van het Belgisch Burgerlijk Wetboek zijn identiek voor deze verplichtingen (artikelen 1134 en 1156).

Dit betekent niet dat een dergelijk niet-concurrentiebeding uit zichzelf wordt geaccepteerd. Alles is een kwestie van feiten en er zijn ook beslissingen die weigeren een dergelijke stilzwijgende clausule te erkennen (met name een arrest van het Hof van Beroep van Caen van 11 oktober 2018, arrest nr. 16/03875).

Pierre Demolin
Advocaat aan de balie van Bergen en Parijs