Homepage / Al het nieuws / Ruimer dan je denkt? De “Franchisewet” geldt ook voor (sommige) handelsagenten

Presse

Ruimer dan je denkt? De “Franchisewet” geldt ook voor (sommige) handelsagenten

De Wet Precontractuele Informatie of “Franchisewet”

Zoals bekend, legt de zgn. Wet Precontractuele Informatie of “Franchisewet” (thans: artt. X.26-X.34 WER) belangrijke verplichtingen op. De kandidaat-franchisegever moet op voorhand het (finale) ontwerp van overeenkomst overmaken, alsook een afzonderlijk document met de belangrijkste contractuele bepalingen en gegevens nodig voor een correcte beoordeling. De kandidaat-franchisenemer beschikt vervolgens over een bedenktijd van één maand om al of niet te contracteren.

… ook van toepassing op handelsagentuur?

Minder goed geweten is dat het potentiële toepassingsgebied van deze “Franchisewet” veel ruimer is dan wat klassiek onder franchising wordt begrepen. De Belgische wetgever heeft bewust gekozen voor een ruimer begrip (“commerciële samenwerkingsovereenkomst”). Inmiddels is duidelijk dat ook handelsagentuur hieronder kan vallen, mits daarbij het recht wordt verleend om een “commerciële formule” te gebruiken. Specifiek is dat de meeste franchisenemers in eigen naam en voor eigen rekening goederen (bv. supermarkt) en/of diensten (bv. kapsalon of immobiliën makelaar) aanbieden. De handelsagent of ‘zelfstandig handelsvertegenwoordiger’ bemiddelt enkel. Te denken is aan ondernemingen die, in ruil voor een commissie, de producten (bv. mobiele nummers) van één of meerdere telecomoperatoren aan ‘hun’ klanten aanbieden. De eindklant zal dan contracteren met de operator, die in beginsel ook rechtstreeks zal factureren.

Helaas nam de wetgever niet de moeite om helder te duiden voor welke handelsagenten de “Franchisewet” dan wel (of juist: niet) bedoeld is. Enkel bank- en verzekeringsagentuur werden uitdrukkelijk uitgesloten. Nochtans is juist daar niet zelden sprake van verregaande integratie onder de ‘vlag’ van de bank of verzekeraar. Ook de (gepubliceerde) rechtspraak is schaars. Deze (rechts)onzekerheid staat in schril contrast met de draconische sancties. In geval van niet naleving kan de handelsagent-franchisenemer de nietigheid van de gehele overeenkomst, dan wel van specifieke bepalingen inroepen. De rechter heeft geen beoordelingsvrijheid, behoudens rechtsmisbruik. Het loutere feit dat de handelsagent-franchisenemer op een andere manier werd geïnformeerd, zoals tijdens talrijke gesprekken en overlegmomenten, volstaat helder niet.

Beoordeling door de Ondernemingsrechtbank te Gent

Een (zeldzame) uitspraak van de Ondernemingsrechtbank te Gent biedt een mooie illustratie van de problematiek. Het geschil ging over een (schriftelijke) handelsagentuurovereenkomst gesloten tussen een onafhankelijke makelaar tussen ondernemingen en energieleveranciers, als principaal, en één van haar handelsagenten voor België. Naar aanleiding van een beweerde schending van het niet-concurrentiebeding en allicht om de daarop gestelde sanctie te ontlopen, riep de agent de nietigheid van de overeenkomst in op grond van de “Franchisewet”. De principaal erkende deze bepalingen geenszins te hebben nageleefd, maar betwistte wel dat deze in dit geval toepasselijk waren.

De rechtbank oordeelde evenwel dat de overeenkomst wel degelijk diende te worden beschouwd als “commerciële samenwerkingsovereenkomst”, vermits de agent visitekaartjes gebruikte met de (handels)naam van de principaal, communiceerde met (potentiële) klanten via een mailadres van de principaal, de offertes en opdrachten uitgingen van de principaal “wat wijst op het gebruik door partijen van een gemeenschappelijke handelsnaam” én de overeenkomst voorzag dat de principaal alle noodzakelijke inlichtingen en documentatie zou ter beschikking stellen, hetgeen “een commerciële formule uitmaakt in de zin van ‘commerciële en technische bijstand’“. Ingevolge de nietigheid zou er ook geen sprake kunnen zijn van de schending van een concurrentiebeding. Het loutere feit dat de agent de nietigheid schijnbaar opportunistisch had ingeroepen zou nog geen rechtsmisbruik uitmaken. Evenmin diende de agent de ontvangen commissies en vergoedingen terug te betalen.

Het blijft onzeker of deze uitspraak brede navolging zal krijgen. Het lijkt toch wel betwistbaar of het verstrekken van ‘noodzakelijke inlichtingen en documentatie’ op zich al kan worden beschouwd als een commerciële formule. Voorts lijkt het eerder vanzelfsprekend dat offertes uitgaan van de principaal. In de regel bemiddelt de handelsagent slechts ten aanzien van (potentiële) klanten. Om diezelfde reden ligt het voor de hand dat de agent in zijn bemiddelingsopdracht gebruik maakt van de (handels)naam van zijn principaal; dat maakt deze naam nog niet ‘gemeenschappelijk’.

Lessons learned?

Gelet op de blijvende onduidelijkheid en verregaande mogelijke gevolgen, is voor elke onderneming niettemin van belang om na te gaan of de Wet Precontractuele Informatie van toepassing zou kunnen zijn en om – bij enige twijfel – de formaliteiten ervan toe te passen. Dit geldt dan vooral wanneer niet-concurrentiebedingen en andere post-contractuele verplichtingen van groot belang zijn. Worden deze formaliteiten toch niet nageleefd, dan blijkt het van mogelijks doorslaggevend belang dat de handelsagent zich (louter) profileert als zelfstandige ondernemer die welbepaalde merken aanbiedt, en dus niet handelt onder het merk en/of de handelsnaam van zijn principaal.

Dave Mertens,  Advocatenkantoor Schoups